Beoordelingen Belastingdienst op schijnzelfstandigheid zijn onbruikbaar
Uit door de Belastingdienst gepubliceerde stukken blijkt dat de tot dusver gegeven beoordelingen van schijnzelfstandigheid in de zorg gebaseerd zijn op aannames. In alle gevallen blijkt dat de casussen die zijn voorgelegd door brancheorganisaties te beperkt waren om een formeel oordeel te kunnen geven.
De overheid heeft de voorgelegde situaties zelf aangevuld, waarbij aannames zijn gedaan die niet rijmen met de dagelijkse praktijk. Deze voorbeeldsituaties zijn niet geschikt om te gebruiken voor het beoordelen van een daadwerkelijke samenwerking met een waarnemer.
Brancheorganisaties konden voorbeeldcasussen voorleggen
In een poging om meer duidelijkheid te verschaffen over het samenwerken met zelfstandig waarnemers hebben brancheorganisaties in de zorg vorig jaar de mogelijkheid gekregen om casussen voor te leggen. De Belastingdienst heeft deze casussen – in samenspraak met het Ministerie van Volksgezondheid – juridisch beoordeeld, om aan te geven of in een bepaalde situatie sprake zou kunnen zijn van schijnzelfstandigheid.
Eind vorig jaar werd al bekend dat in een aantal van deze beoordelingen stond dat ‘geen oordeel mogelijk is’.
Belastingdienst heeft alle oordelen openbaar gemaakt
Tot voor kort waren de beoordelingen van de Belastingdienst zelf nog niet openbaar beschikbaar. Maar in december heeft de Belastingdienst alle beoordelingen gepubliceerd op haar website.
Ondanks de wens om duidelijkheid te verschaffen, blijkt eens te meer hoe gecompliceerd de beoordeling van (schijn)zelfstandigheid is. In alle beoordelingen blijkt dat de voorgelegde casus te beperkt is om een oordeel te kunnen geven. Pas na het op eigen initiatief aanvullen van de casus door de Belastingdienst zelf, kon enige duiding worden gegeven.
Bij deze werkwijze zijn echter wel enkele kritische kanttekeningen te maken. Zo zien we bijvoorbeeld dat de Belastingdienst in de voor de mondzorg aangevulde casussen uitgaat van omstandigheden en afspraken die afwijken van wat in de dagelijkse praktijk gebruikelijk is. Met als gevolg dat deze conclusies weinig voorspellende waarde hebben, omdat zij veelal gebaseerd zijn op speculaties.
Ongebruikelijke aannames bij casussen in de mondzorg
Direct valt op dat de Belastingdienst uitgaat van de aanname dat de aansprakelijkheid voor zorgwerkzaamheden vooral bij de praktijk ligt en dat de waarnemer daarbij weinig of zelfs geen commercieel risico loopt, terwijl het juist in de mondzorg zo is dat elke waarnemer voor eigen rekening en risico werkt en daarvoor een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten.
Ook wordt gesuggereerd dat in een tandartspraktijk wordt gewerkt op basis van protocollen, richtlijnen, voorschriften, regels, beleidsplannen, convenanten etc. Dit zou een aanwijzing zijn voor werkgeverschap omdat een werkgever instructies kan opleggen aan een werknemer. Daarbij wordt echter voorbijgegaan aan het feit dat elke tandarts zich dient te houden aan de richtlijnen voor medici met een BIG-registratie. Dat zijn veelal landelijke normen, die voor alle tandartsen gelden, ongeacht waar ze werken. Deze normen zeggen maar weinig over de mate waarin een opdrachtgever in een specifieke situatie werkgeversgezag zou kunnen uitoefenen.
Een laatste voorbeeld staat in de casus van waarneming na een praktijkoverdracht in de mondzorg. Ten aanzien van de mogelijkheid tot vervanging wordt gesteld dat het van belang is of de waarnemer een verdienmodel zou kunnen ontwikkelen door het inzetten van onderwaarnemers. Dit is een voorwaarde die wij niet eerder hebben gezien bij de beoordeling van een samenwerking.
Wat doen wij?
De gegeven beoordelingen blijken gebaseerd op speculaties, waardoor zij feitelijk onbruikbaar zijn. Zoals nu blijkt, hebben alle ingediende casussen daarvoor een te beperkt feitencomplex. Ook blijkt opnieuw dat elke situatie uniek is en dat het niet eenvoudig is om algemene conclusies te trekken. De conclusies in deze beoordelingen hebben echter wel tot onrust geleid bij praktijken. Om die onrust te voorkomen, was het beter geweest als deze beoordelingen al in januari vorig jaar waren stopgezet.
Op onze website vind je informatie over dit onderwerp, en wij blijven alle ontwikkelingen voor je volgen. Wanneer wij nieuwe informatie tegenkomen die van belang is voor jouw bedrijfsvoering, zullen wij je daarover informeren. Deze beoordelingen bieden nauwelijks nieuwe inzichten voor de beoordeling van schijnzelfstandigheid.
Voor nu geldt dat werken als zelfstandig arts nog steeds goed mogelijk is, mits je voldoende rekening houdt met de arbeidsrechtelijke voorwaarden die daarvoor gelden. Wij kunnen je daar bovendien bij helpen.